Een bijna-doodervaring van de andere kant

Een bijna-doodervaring zonder tunnel, licht of terugkeer. Over wat er gebeurt als de dood niet even dichtbij komt maar jarenlang naast je blijft staan en je daarna opnieuw moet ontdekken waarom je wilt leven.

8/28/20266 min lezen

Een bijna-doodervaring van de andere kant

Geen tunnel, geen licht

Ik heb nooit een klassieke bijna-doodervaring gehad.

Mijn hart is niet gestopt. Ik heb geen tunnel gezien, geen licht en ik ben nergens geweest waarvan ik later kon zeggen dat ik was teruggekeerd.

Toch herken ik iets in wat mensen na zo’n ervaring vertellen.

Niet zozeer in wat zij zagen.

Vooral in wat er daarna verandert.

De dood is niet meer alleen iets wat ooit gebeurt. Tijd krijgt een ander gewicht. Mensen ook. Dingen die belangrijk leken kunnen hun betekenis verliezen terwijl iets heel gewoons ineens kostbaar wordt.

Alleen verliep dat bij mij niet in één rechte lijn.

In 2021 kreeg ik in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis te horen dat mijn prostaatkanker ongeneeslijk was. Een tijdlang keek ik daardoor anders naar mijn toekomst. Ik vroeg mij af of ik kerst nog zou halen. Daarna mijn verjaardag. Daarna weer een kerst.

Maar ik bleef leven.

En ergens onderweg gebeurde iets wat achteraf bijna vreemd klinkt.

Ik begon weer te leven alsof ik genezen was.

De dood verdween uit mijn dagelijks bewustzijn. Ik maakte plannen, werkte en dacht niet voortdurend na over hoeveel tijd mij nog restte.

Tot november 2025.

Toen kwam de dood terug.

Niet als een mededeling van een arts of een prognose op papier.

Mijn lichaam was ernstig ziek.

En voor het eerst werd sterven niet alleen iets wat mij ooit was voorspeld maar iets wat ik zelf werkelijk kon voelen naderen.

Daar begon voor mij misschien de echte bijna-doodervaring van de andere kant.

Niet doordat ik even de grens overstak en terugkwam.

De grens kwam naar mij toe.

En ik bleef aan deze kant staan.

Wat gebeurt er als de dood niet meer abstract is?

In het begin maakte hij mij bang.

Maar wanneer iets dichtbij blijft kun je er niet eindeloos van wegkijken.

Dus begon ik te kijken.

Waar was ik eigenlijk bang voor?

Voor pijn? Voor afscheid? Voor verdwijnen? Voor het onbekende?

Die afstand die mensen normaal tussen zichzelf en hun sterfelijkheid houden had ik niet meer.

Langzaam veranderde er iets.

De angst verdween niet maar hij verloor zijn alleenrecht.

Er kwam zelfs nieuwsgierigheid.

Dat vond ik bijna verontrustender dan de angst.

Want zolang de dood verschrikkelijk is lijkt de keuze eenvoudig.

Je kiest het leven omdat je niet dood wilt.

Maar wanneer de dood minder angstaanjagend wordt blijft een veel moeilijkere vraag over.

Waarom wil ik eigenlijk leven?

Er waren nachten waarop ik hoopte dat mijn hart gewoon zou stoppen.

Niet als besluit.

Juist omdat ik niet wilde besluiten.

Ik zag wat mijn situatie met mijn dochter deed. Haar zorg, haar angst, haar paniek. Ik kon haar niet zomaar verlaten terwijl er momenten waren waarop ik zelf zo moe was dat nog een dag vooral voelde als nog een dag die gedragen moest worden.

Als mijn hart uit zichzelf stopte, dacht ik soms, dan hoefde ik niet te kiezen.

Daarom heb ik mij nooit herkend in dat veelgebruikte beeld van kanker als een strijd.

Ik vocht niet.

Ik balanceerde.

Soms lag er genoeg gewicht aan de kant van het leven.

Mijn dochter. Werk. Een gesprek. Muziek. Een gedachte die nog niet af was.

Soms was morgen willen zien voldoende.

Niet de rest van mijn leven.

Morgen.

Terugkomen zonder terug te komen

Bij een klassieke bijna-doodervaring bestaat meestal een duidelijk moment van terugkeer.

Bij mij bestond dat moment niet.

Ik kreeg in Turkije een zware behandeling en mijn lichaam reageerde daar opmerkelijk goed op. De ziekteactiviteit daalde snel. Mijn kracht kwam terug. Mijn gezicht kreeg weer kleur en mijn haar begon opnieuw te groeien.

Ik ging weer naar buiten.

Ik werkte weer.

Ik lachte weer.

Van buitenaf zag dat eruit als herstel.

Van binnen liep ik achter.

Mijn lichaam leek al onderweg terug naar het leven terwijl iets in mij nog bezig was met de mogelijkheid van sterven.

Dat verschil had ik niet verwacht.

Ik dacht dat wanneer het lichamelijk beter zou gaan de rest vanzelf wel zou volgen.

Zo werkte het niet.

Ik moest ineens leren omgaan met een werkelijkheid waarin ik bleef.

Daar had ik niet op geoefend.

Misschien was dat mijn terugkeer.

Niet een moment waarop ik mijn ogen opende.

Maar de vreemde opdracht die daarna overbleef.

Je bent er nog.

En nu?

Schuld aan het leven

Er ontstond iets wat ik nooit had voorzien.

Een soort schuld aan het leven.

Ik had tijd gekregen waarvan ik kort daarvoor werkelijk had gedacht dat ik die misschien niet meer zou hebben.

Dan moest ik daar toch iets mee doen?

Iets groots misschien.

Iets wat rechtvaardigde dat ik er nog was.

Op slechte momenten kon die gedachte zich zelfs omkeren.

Had ik eigenlijk wel moeten blijven?

Was dit niet gewoon een vergissing?

Het duurde voordat ik begon te begrijpen dat een extra dag geen rekening is.

Ik hoefde hem niet terug te betalen.

Ik hoefde niet onmiddellijk dankbaar te zijn.

Ik hoefde niet iedere dag bijzonder te maken.

Ik hoefde van overleven geen nieuwe verplichting te maken.

Ik moest gewoon opnieuw leren bestaan.

Weer bewoner worden

Daar hoorde ook mijn lichaam bij.

Dat voelde niet meer vanzelfsprekend als van mij.

Dat deed meer met mij dan ik vooraf had kunnen bedenken.

Niet alleen lichamelijk.

Ook in hoe ik mijzelf zag.

Mijn mannelijkheid was daar onderdeel van.

Ik bedoel niet stoerheid, spierkracht of het soort mannelijkheid dat voortdurend bewezen moet worden.

Ik bedoel iets eenvoudigers.

Je man voelen.

Energie voelen. Verlangen. Aantrekkingskracht.

Niet voortdurend naar jezelf kijken als iemand die ziek is geweest.

Weer bewoner worden van je eigen lichaam.

Dat was ik een tijd kwijt.

Juist in een periode waarin ik het zelf eigenlijk niet meer zo zag zitten zei iemand iets tegen mij.

Ze vertelde hoe zij mij zag.

Achter een draaitafel. Muziek om mij heen. Mensen die plezier maakten.

Ze zag het al helemaal voor zich.

Private Party by Paul Hager.

Ik moest lachen.

Ik ben helemaal geen professionele dj. Amateur komt een stuk dichter in de buurt.

Maar die opmerking deed veel meer met mij dan ik verwachtte.

Ze had het niet over mijn ziekte.

Niet over herstel.

Niet over wat ik allemaal had doorstaan.

Ze zag blijkbaar gewoon een man met energie.

Iemand van wie zij zich kon voorstellen dat hij muziek draaide, mensen bij elkaar bracht en zelf midden tussen dat leven stond.

Op een moment dat ik dat beeld zelf nauwelijks meer kon zien kreeg ik het van iemand anders terug.

Het voelde bijna als een kleine reanimatie.

Niet van mijn hart.

Van mij.

Mensen die in je geloven

Misschien ben ik daardoor ook anders naar mensen gaan kijken.

Tijdens ziekte zeggen veel mensen dat ze je steunen. Ze wensen je sterkte en beterschap. Dat is mooi en vaak oprecht.

Maar steun en geloof zijn voor mij niet hetzelfde.

Sommige mensen zien vooral wat er met je gebeurd is.

Andere mensen blijven iets zien wat verder ligt dan dat.

Niet wie je was.

Wie je nog kunt zijn.

Soms heb je iemand nodig die iets in jou ziet voordat jij het zelf weer kunt zien.

De mensen die mij het meest hebben geraakt zijn daarom niet noodzakelijk degenen die het vaakst zeiden dat ze achter mij stonden.

Het zijn de mensen die in mij bleven geloven.

Soms eerder dan ikzelf.

Misschien was mijn tunnel gewoon tijd

Mijn bijna-doodervaring had geen tunnel en geen moment waarop ik mijn ogen opende en wist dat ik terug was.

Misschien was mijn tunnel gewoon tijd.

Een periode waarin de dood steeds minder abstract werd en waarin ik uiteindelijk moest ontdekken of er aan de kant van het leven nog genoeg lag om te blijven.

En misschien bestond mijn terugkeer uit iets veel alledaagsers.

Weer naar buiten gaan.

Weer werken.

Weer lachen.

Weer verlangen.

Door iemand gezien worden als de man die je zelf even niet meer zag.

En langzaam ontdekken dat toekomst iets anders is dan alleen nog niet dood zijn.

De andere kant

Een tijdlang werd mijn toekomst heel klein.

Een volgende dag.

Nog een ochtend.

Morgen.

Nu is toekomst weer iets anders.

Ik weet niet wie ik nog ga ontmoeten.

Ik weet niet waar ik nog verliefd op word.

Ik weet niet wat ik nog ga maken, welke avonden veel te laat gaan eindigen of welk idee morgen ineens mijn hele dag overneemt.

Dat onbekende voelt niet meer als het zwarte stuk achter een datum die ik misschien niet haal.

Het is gewoon weer toekomst.

Open.

Er kan liefde ontstaan die nu nog nergens bestaat.

Er kan een avond komen waarop de muziek veel te hard staat, niemand naar de tijd kijkt en ik achter een draaitafel sta te ontdekken wat er gebeurt als ik daar mijn eigen vorm aan geef.

Dat lijkt me eigenlijk wel wat.

Een tijdlang stond de dood heel dichtbij.

Nu staat daar weer leven.

En als iemand ooit vraagt hoe dat eruitziet heb ik inmiddels een aardig beeld.

Muziek.

Mensen.

Een zomeravond.

En ergens op een bordje

Private Party by Paul Hager.

Over deze site

Verkenning van bewustzijn, materie en evolutie.

Paul Hager – Noöhedron

blijf op de hoogte

paul@noohedron.com

© 2025. All rights reserved.